De Autoriteit Consument & Markt (ACM) publiceerde deze zomer nieuwe inzichten over de financiële positie van de warmtesector en de toekomstige invoering van kostengebaseerde warmtetarieven. De Rendementsmonitor van de ACM laat zien dat het gewogen rendement van de warmtesector in 2024 uitkwam op ongeveer -0,3 procent. Geen van de onderzochte bedrijven behaalde een hoger dan redelijk geacht rendement. Daarmee behaalde de sector als geheel onvoldoende rendement om de kosten van het geïnvesteerde vermogen terug te verdienen.
Belangrijk is dat dit geen eenmalige uitschieter is. Ook in de jaren daarvoor bleven de rendementen achter. Sinds 2014 behaalt de sector gemiddeld een rendement van 3,8 procent. Sinds 2022 is sprake van een verdere verslechtering: ongeveer 2,7 procent in 2022, 1,03 procent in 2023 en -0,3 procent in 2024. Daarmee ligt het gerealiseerde rendement al jaren fors onder het rendement dat de ACM noodzakelijk acht voor een investeerbare sector. Voor de rendementstoets gaat de ACM uit van een redelijk rendement van 6,8 tot 7 procent.
Dat verschil is meer dan een boekhoudkundige exercitie. Warmtenetten zijn kapitaalintensieve infrastructuur met investeringen die vaak tientallen jaren vooruit worden gedaan. Voor aanleg, onderhoud en verduurzaming zijn grote hoeveelheden vreemd en eigen vermogen nodig. Wanneer het gerealiseerde rendement structureel achterblijft bij het redelijke rendement, wordt het steeds moeilijker om investeringen aan te trekken en bestaande infrastructuur verder te verduurzamen.
Rendement is geen overbodige winst, maar een economische noodzaak
In het maatschappelijke debat wordt soms gesuggereerd dat warmtenetten ook zonder winst kunnen functioneren. Dat klinkt aantrekkelijk, maar gaat voorbij aan de economische functie van rendement.
Het rendement waar de ACM naar kijkt is geen extra beloning boven op de kosten. Het is de vergoeding die nodig is om vermogen aan te trekken voor investeringen in warmtenetten. Banken en andere financiers verstrekken leningen alleen als er voldoende zekerheid bestaat dat rente en aflossingen kunnen worden betaald. Ook aandeelhouders, publiek of privaat, lopen risico’s en verwachten daarvoor een passende vergoeding. De ACM merkt daarom zelf op dat een redelijk rendement nodig is om vreemd en eigen vermogen aan te trekken en risico’s te dragen. Ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft bevestigd dat investeerbaarheid een volwaardig onderdeel van het reguleringskader moet zijn.
De huidige rendementen laten zien hoe groot die uitdaging is. Warmtebedrijven behalen gemiddeld rendementen van rond de nul procent, terwijl nieuw vreemd vermogen momenteel vier tot vijf procent kost. Daardoor ontstaat is er geen ruimte voor aflossingen, het opbouwen van reserves en nieuwe investeringen in verduurzaming en uitbreiding van warmtenetten.
Een systeem zonder of met een kunstmatig laag rendement neemt deze economische realiteit niet weg. De benodigde investeringen verdwijnen immers niet. Ook de risico’s rond aanleg, volloop, warmtebronnen en regelgeving blijven bestaan. Wanneer daarvoor geen passende vergoeding mogelijk is, verschuiven de kosten uiteindelijk naar andere partijen, zoals gemeenten, het Rijk of afnemers. De rekening verdwijnt niet, maar komt elders terecht.
Daarom is fase 2 van de Wet collectieve warmte belangrijk
Tegen deze achtergrond is de overgang naar kostengebaseerde tarieven van groot belang. Het doel van fase 2 van de Wet collectieve warmte is om ervoor te zorgen dat efficiënte kosten én een redelijk rendement kunnen worden terugverdiend. Alleen daarmee ontstaat een duurzaam financieringsmodel voor de investeringen die nodig zijn om warmtenetten uit te breiden en te verduurzamen.
De recente ACM-cijfers laten zien dat de centrale uitdaging voor de sector momenteel niet bestaat uit excessieve winsten, maar uit een gebrek aan rendement. Tegelijkertijd past voorzichtigheid bij de interpretatie van de uitsplitsing tussen gereguleerde en ongereguleerde afnemers. De Rendementsmonitor 2024 is de eerste monitor die volledig is gebaseerd op de nieuwe Regulatorische Accountingregels. Daardoor zijn de gebruikte verdeelsleutels uniformer geworden, maar dat betekent niet automatisch dat de uitkomsten ook bedrijfseconomisch herkenbaar zijn.
Met name de sterke verschillen tussen gereguleerde en ongereguleerde afnemers lijken mede het gevolg van de wijze waarop gezamenlijke kosten worden toegerekend. Wanneer gezamenlijke kosten van netten, bronnen en infrastructuur relatief zwaar bij grootverbruikers terechtkomen, kan het rendement op die klantgroep kunstmatig laag uitvallen en het rendement op kleinverbruikers juist positiever lijken. Omdat deze verdeelsleutels een belangrijke rol kunnen spelen bij toekomstige kostengebaseerde tarieven, is zorgvuldigheid essentieel.
Flankerend beleid blijft noodzakelijk
Kostengebaseerde tarieven kunnen niet alle publieke doelen tegelijk realiseren. Zij zijn nodig om efficiënte kosten en een redelijk rendement terug te verdienen, maar borgen op zichzelf nog niet dat warmte voor huishoudens en bedrijven betaalbaar blijft. Daarom blijft aanvullend flankerend beleid noodzakelijk.
Aan de afnemerskant gaat het om maatregelen die de warmterekening verlagen of voorspelbaarder maken. Aan de investeringskant moet het Rijk ervoor zorgen dat de kostenbasis van warmtenetten omlaag gaat en risico’s beter worden afgedekt, bijvoorbeeld via ondersteuning van duurzame bronnen, netuitbreiding en risicovolle ontwikkelfasen.
De opgave voor Rijk, ACM en sector is daarom tweeledig: zorg voor een snelle en zorgvuldige invoering van fase 2 van de Wet collectieve warmte én voor flankerend beleid dat betaalbaarheid en investeerbaarheid gezamenlijk borgt. Alleen die combinatie biedt een solide basis voor verdere groei en verduurzaming van warmtenetten.lleen die combinatie biedt een solide basis voor verdere groei en verduurzaming van warmtenetten.