Europa moet vraag naar duurzame producten creëren

Europa staat op een cruciaal punt in de transitie naar een duurzame industrie. In een opiniestuk voor Energeia pleiten Nienke Homan, voorzitter VNCI, en Femke Brenninkmeijer, voorzitter Energie-Nederland, voor stevigere Europese maatregelen om niet alleen schoner te produceren, maar vooral om de vraag naar duurzame producten actief te stimuleren. Zonder zo’n structureel verdienmodel blijft de Europese industrie op achterstand staan, waarschuwen zij. Hun betoog laat zien waarom vraagcreatie onmisbaar is voor zowel klimaatambities als concurrentiekracht.

Brenninkmeijer en Homan benoemen in het stuk het belang van aanvullend beleid op de Europese Industrial Accelerator Act. Hun conclusie: Europa moet niet mínder groene wetgeving hebben, maar bétere. En een expliciete strategie om cruciale productie in Europa te houden hoort daarbij. Lees hier het opiniestuk namens de branchevereniging en voor chemische industrie en energieleveranciers en producenten:

Europa, stop met pleisters plakken en start met bindende normen voor duurzame producten

De Europese Industrial Accelerator Act  moet helpen om de industrie uit het slop te trekken. Het is een stap in de goede richting als er een stuctureel verdienmodel voor duurzame producten komt. Maar het is niet goed als Europa zijn eigen bedrijven dwingt tot een groene transformatie, maar ondertussen de achterdeur wagenwijd open laat staan voor producten die onder veel soepelere regels worden gemaakt. Het gevolg laat zich raden: CO2-uitstoot verdwijnt naar het buitenland, net als de banen. Dus is er aanvullend beleid nodig:  vraagcreatie.

Europa mag trots zijn op zijn klimaatambities. Bedrijven die vallen onder het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) moeten in razend tempo schoner produceren. Maar de kosten daarvan worden volledig bij hen neergelegd, omdat hun klanten ook voor buitenlandse producenten kunnen kiezen die vrolijk profiteren van minder strenge regels. Er wordt wel gewerkt aan een mechanisme waardoor ook import een CO2-prijs moet gaan betalen (CBAM), maar dat is alleen voor een beperkt aantal (basis)grondstoffen en daardoor zo lek als een mandje. Bovendien corrigeert het ook niet voor allerlei andere milieumaatregelen waar Europese bedrijven mee te maken hebben. Daarmee creëert Europa een wonderlijke situatie: bedrijven die wél verduurzamen worden gestraft, bedrijven die níét verduurzamen worden beloond.

Vanuit het bedrijfsleven is er behoefte aan regels die gelden voor de héle markt, inclusief import. Dat kan door bindende normen op eindproducten. Door normen op te leggen aan de eindverkoper van het product in plaats van alleen de producent, ontstaat er opeens wél vraag naar groene producten.  Een norm aan de marktzijde geldt voor iedereen, dus ook voor de importeur. Dat is eerlijker, effectiever én economisch verstandiger. En het mooiste? Consumenten zullen het nauwelijks merken. Grondstofkosten zijn uiteindelijk maar een fractie van de eindprijs. Zelfs een forse vergroening van ketens vertaalt zich in een prijsstijging van ongeveer 1%.

Een voorbeeld: kunststoffen zijn onmisbaar in vrijwel elke sector, van verpakkingen en medische toepassingen tot auto‑onderdelen en bouwmaterialen. Maar duurzame varianten zijn duurder dan conventionele fossiele plastics. Door bijvoorbeeld te eisen dat 20% van de kunststoffen in verpakkingen of producten duurzaam moet zijn, ontstaat meteen een markt die groot genoeg is voor serieuze miljardeninvesteringen in duurzame chemie. Voor consumenten is het effect minimaal: de grondstofkosten zijn een fractie van de eindprijs, waardoor zo’n norm neerkomt op slechts enkele centen per product. Maar het voorkomt dat importeurs goedkoop niet‑duurzaam materiaal blijven aanbieden en dwingt de hele markt, Europees én daarbuiten, mee te verduurzamen. En als Europa eist dat een deel van de groene chemie van eigen bodem komt, versterkt het ook nog zijn strategische autonomie. Dit principe werkt ook voor staal (bijvoorbeeld in auto’s), kunstmest (bijvoorbeeld in melk of brood) of producten uit andere energie-intensieve sectoren.

Voor het nieuwe kabinet is er ook nog een voordeel. Er zijn minder subsidies nodig, omdat de prijs van verduurzaming in de prijs van producten verwerkt wordt. En laten we eerlijk zijn: subsidies zijn belangrijk om de transitie op gang te brengen, maar zouden niet het fundament van de Europese industriepolitiek moeten zijn. Ze zijn kwetsbaar, wisselend, onderhevig aan politieke grillen. Normen daarentegen creëren een stabiele, voorspelbare vraag en dat is precies wat investeerders nodig hebben.

De conclusie is onontkoombaar: Europa moet niet mínder groene wetgeving hebben, maar bétere. En een expliciete strategie om cruciale productie in Europa te houden hoort daarbij. Wij roepen de Europese Commissie op om deze normen voor verkopers bovenaan de agenda te plaatsen en ze stevig te verankeren in komende wetgevingspakketten. Alleen dan blijven én klimaatdoelen én concurrentiekracht binnen bereik. Doet het dat niet, dan bepalen anderen de regels. En dan staat Europa straks langs de zijlijn, met schone idealen, maar zonder industrie.

Lees hier hier het opiniestuk op de website van Energeia.

Gerelateerd nieuws